Jeanne Oosting,
fotografie: Philip Mechanicus





"Ik geloof niet aan schilder- richtingen, ik geloof in goede schilderijen n'importe van welke richting. Over enkele honderden jaren zal blijken hoe klein deze onderlinge, nu groot lijkende verschillen waren. In mijn lange leven heb ik zó veel modernismen en modieusheden elkaar zien opvolgen. Een zekere in stand gehouden traditie, stoelend op een contact met de natuur, lijkt me de ruggegraat van het voortbestaan van werkelijk blijvende kunst." (1955)

















Jeanne Oosting

 



“’s Avonds gegeten op Arti en daar enige makkers aangetroffen. Voor de zoveelste keer tegengesproken dat ik bij de Amsterdamse Joffers hoor! Dat is niet zo; die zouden nu ongeveer honderddertig jaar zijn, en al ben ik dan niet bepaald nieuw meer, dat getal heb ik niet gehaald. Ik hoop die stommigheid nu niet meer te horen en ben blij dat de waarheid nu eens in een grote courant staat.” (1988)

Jeanne Bieruma Oosting

Jaap Ploos van Amstel / Edith Sont

Jeanna Bieruma Oosting werd in 1898 in Leeuwaarden geboren, telg uit een geslacht van Friese adel en patriciaat. De streek rond Heerenveen waar zij later een deel van haar jeugd doorbracht ademt nog altijd de sfeer van landelijke aristocratie. Een bezoek aan Museum Belvédère brengt dat gevoel nog steeds nabij.

Haar specifieke aanleg openbaarde zich vroeg. Haar eerste tekenlerares heeft veel voor haar betekend, maar zij kwam om bij het beruchte spoorwegongeluk bij Weesp in 1918. Haar opleiding viel wat wisselvallig uit: grafiek bij Jessurun de Mesquita aan de Haarlemse Kunstnijverheidsschool, modeltekenen aan de Haagse Academie en privélessen bij Willem van Konijnenburg. Door deze laatste zal ze met een streng academisme hebben kennisgemaakt, maar zijn afkeer van het verderfelijke modernisme zal haar niet verder hebben geholpen. Een portretje als kind dat Jan Toorop van haar tekende doet nog andere relaties en invloeden vermoeden.

De grootste betekenis voor Jeannes vorming zijn zonder twijfel haar Parijse jaren. Aangemoedigd door de beeldhouwster Charlotte van Pallandt vertrok zij in 1929 naar Parijs waar zij in totaal elf jaar heeft doorgebracht. Het moeten jaren zijn geweest van krap maatschappelijk bestaan, want van huis uit was haar nog altijd steun onthouden, en van straffe werkzaamheid, maar ook van intensieve belevenis van het overweldigende grotestadsleven. Vriendschap en collegialiteit vond ze in de kring rond Conrad Kickert, met o.a. Wim Oepts en Gerard Hordijk. Haar litho’s uit die jaren gaf zij uit in een groot aantal mappen, waarvan de titels veelzeggend zijn: Solitudes, Visions et Fantômes, L’amour et la mort, Rêves et Réalités, L’Opéra, Les Fleurs du Mal. Het zijn groot formaat taferelen van schemerige, romantische aard, soms met een dramatische sfeer die uniek is in haar oeuvre.

Als schilderes begint zij op te vallen en exposeert ook in Nederland in diverse salons. In 1937 wint zij een prijs op de wereldtentoonstelling in Parijs. De relatie tussen dit werk en het overige grafisch oeuvre uit die jaren is opmerkelijk gering: de etsen die zij maakte in het atelier van Stanley Hayter hebben een geheel ander karakter. De etstechniek werd daar op zeer onconventionele en experimentele wijze beoefend, diep ingrijpend in de plaat met verrassende effecten, gedacht vanuit de materie van metaal en papier. In de kleine geëtste stillevens, verwant aan George Braque, toont zij zich, meer dan ergens anders in haar oeuvre, vatbaar voor de moderne stromingen van het begin van de twintigste eeuw.

Dan nadert de Tweede Wereldoorlog, en Jeanne keert terug naar Nederland, waar ze zich vestigt in de Jordaan, en sinds 1968 in het huis aan het Oosterpark waar zo’n groot deel van haar latere werk is ontstaan. Daar krijgen tijdgenoten, onder wie schrijvers dezes, meer zicht op haar persoon, werk en artistieke omgeving.

Haar lidmaatschappen van Arti, de Hollandse Aquarellistenkring, De Grafische, en de Nederlandse Kring van Tekenaars, verlenen haar veelvuldig gelegenheid tot exposeren. Op de ledenvergaderingen is ze present, ze toont zich actief tijdens de vergaderingen, het inrichten van tentoonstellingen, en bij de openingen van de exposities, en is meer dan in staat haar mening of zonodig oordeel onomwonden te verwoorden. Ze is scherp en alert, maar ook zeer fideel in haar collegiale lof. Haar aanwezigheid is prominent, haar dictie is staccato en, gelijk haar handschrift, gehaast. Ze is druk bezet, maar efficiënt in haar tijdsbesteding ("Bel me ’s morgens voor achten, anders stoort ’t in ’t werk"). De avonden zijn voor opera, muziek en toneel. Haar levensinstelling is er een van positieve activiteit. Dit treedt ook duidelijk aan de dag in haar correspondentie met Ida Gerhardt die haar daarom benijdt en wier grimmigheid erbij afsteekt.

Jeanne Bieruma Oostings oeuvre sedert de jaren veertig toont een vrij homogeen beeld en is ook het meest bekend geworden. Het heeft een luchtig en niet zeer specifiek karakter. Om het impressionistisch te noemen zou de lading niet geheel dekken. Het is impressionistisch in die zin dat bijna alles uit de directe waarneming is gedaan, maar zonder de principiële consequentie van het historische Impressionisme-met-een-hoofdletter. Daarvoor is haar instelling te onbevangen en wars van systematiek. Dit heeft ook te maken met haar thematiek: dicht bij huis. Het uitzicht op het Oosterpark, de tuin in Almen waar ze haar buitenhuis heeft, de interieurs met het vertrouwde meubilair voor het raam, de vazen met rozen uit de tuin. De kleur is briljant, de voordracht vlot.

Was Jeanne slordig? Soms wel, maar rechtvaardiger is het te spreken van een zekere nonchalance uit gehaastheid. Toch kan een welbewuste discipline haar werk goed doen. Dat blijkt sterk uit de ontwerpen van de ex-libris die ze maakte, maar duidelijker nog uit de twee serie postzegels – kinderzegels en nederlandse klederdrachten -  die ze respectievelijk in 1946 en 1960 ontwierp. Maar ook de portretten uit de twintiger en dertiger jaren, zoals vertegenwoordigd in de collectie van het Gemeentemuseum Maassluis getuigen hiervan. Waarschijnlijk hebben twee factoren daar de hand in gehad: de Nieuwe Zakelijkheid uit Duitse en misschien ook uit Nederlandse hoek, en daarnaast de neo-conservatieve klassicistische stroming uit die jaren, die wat rust in de Europese schilderkunst brachten na het tumultueuze geweld uit het begin van de twintigste eeuw.

Dat geweld is aan Jeanne Bieruma Oosting voorbijgegaan, evenals het kubisme dat bij haar hooguit reflecteert in de afgezwakte vorm van een Dérain of een Suzanne Valadon. Die laatste naam komt op bij het zien van haar serie vrouwelijke naakten in lithografie, uitgegeven onder de titel Chairs (1931) in de Parijse tijd. Deze prenten zijn juist weinig romantisch, maar solide en stoer, en van slordigheid lijkt geen sprake. Haar werk heeft verrassend vele aspecten die hier nog lang niet allemaal genoemd zijn.

Jeanne Bieruma Oostings belangstelling voor en deelname aan het kunstleven zullen ook later, na haar dood in 1994, blijken uit de door haar nagelaten werken van anderen, aankopen die ze over een lange periode moet hebben gedaan en die haar voorkeuren weerspiegelen. Voor zover het haar generatiegenoten betreft zijn dat werken van o.a. Jan van Heel, Dirk van Gulik, Kees Verwey, Theo Kurpershoek, Joop Sjollema (die haar ook portretteerde), Herbert Fiedler, Jan Wiegers, Theresia van der Pant, Charlotte van Pallandt, Bob Buys, Ina Hooft en Lena Loopuit. Persoonlijk gezien iets verder van haar verwijderd kocht zij werk van Picasso (etsen uit de Vollardsuite), Toulouse Lautrec, Kokoschka, Käthe Kollwitz, Stanley Hayter, Chagall en Redon. Bijna al deze werken zijn na haar dood geveild of door de kunsthandel verkocht ten bate van het vermogen van de Jeanne Oosting Stichting.

Een leven voor de kunst was de terechte titel van een tentoonstelling in Arti et Amicitiae in 1988 waaraan Jeanne deelnam, samen met 22 andere kunstenaars van gelijke generatie en evenzeer bezield van gelijke onblusbare werkzaamheid.

Op haar idealisme en betrokkenheid gebaseerd, en door haar vermogen daartoe in staat gesteld, riep zij in 1970 de jaarlijkse Jeanne Oosting Prijzen voor figuratieve schilderkunst en aquarelleerkunst in het leven. Inmiddels kan worden teruggezien op veertig jaar prijzenbeleid en weten tachtig kunstenaars zich door haar gesteund en gestimuleerd. En nog vele bekroonden zullen in de toekomst reden hebben om met respect en dankbaarheid aan haar te denken.